‘De overheid heeft zelf bijgedragen aan de problemen met vakantieparken’

woensdag 28 maart 2018 Leestijd: 5 min.

Ansichtkaart van het Sporthuis Centrum-recreatiepark 'De Lommerbergen' / ArchiNed

Stephanie Sint Nicolaas

Redacteur

stephanie.sintnicolaas@kro-ncrv.nl

woensdag 28 maart 2018 Leestijd: 5 min.

Een weekje weg met het hele gezin, in een bungalow met geblokte gordijnen en een open haard. Wie is er niet groot mee geworden? We vliegen steeds vaker naar het buitenland, maar tóch heeft Nederland nog steeds één van de grootste vakantieparkdichtheden ter wereld. Maar welke rol heeft de overheid de afgelopen eeuw gespeeld in de regelgeving rondom vakantieparken? En wat zien we daar vandaag de dag nog van terug?

In ons onderzoek naar Huurdersproblemen op vakantieparken vragen we ons inmiddels af: In hoeverre is het Nederlandse vakantiepark, zoals we dat allemaal kennen, uniek? Sinds wanneer bestaat het fenomeen, en wanneer is de discussie rondom permanent wonen op vakantieparken eigenlijk ontstaan? We komen erachter dat architectuur- en stedenbouwhistoricus Mieke Dings zich hierin heeft verdiept. Ze promoveerde op de geschiedenis van vakantieparken in Nederland, en wil onze vragen wel beantwoorden. Vanuit Singapore, waar ze tijdelijk woont.

Mieke, jouw onderzoek naar vakantieparken begint in de jaren twintig.
‘Ja. Er ontstond in die periode een anti-stedelijk gevoel bij steeds meer mensen. Op de Veluwe, in de bossen en aan de kust kwamen er kampeerterreinen voor verschillende soorten jongerenorganisaties. De socialistische Arbeiders Jeugd Centrale was veruit de belangrijkste. Kamperen ontstond uit idealisme: back to basics, een verlangen om in de natuur te zijn en tijd samen door te brengen zonder opsmuk. Tegelijkertijd zie je nog een andere trend opkomen. De wat luxere buitenverblijven waren vóór die tijd alleen voor de rijkeren weggelegd, maar worden vanaf de jaren twintig ook beschikbaar voor wat minder rijke mensen. Die twee maatschappelijke ontwikkelingen zorgden ervoor dat de eerste vakantieparken ontstonden. Pas in de jaren zestig was er een flinke toename van het aantal parken, gevolgd door wéér een enorme bouwproductie in de jaren tachtig en negentig. Toen deden de CenterParcs-formules zoals veel mensen die kennen hun intrede: grote parken met subtropische zwembaden. De vakantieparken sloegen in Nederland zo aan omdat ze gezinsvakanties mogelijk maakten – en daarmee in een vroeg stadium de goedkeuring van alle zuilen wegdroegen – en omdat ze een manier boden om relatief goedkoop vakantie te vieren. Zelf boodschappen doen, zelf koken: dat was extreem Nederlands.’

Wat was de rol van de overheid in het ontstaan van die parken? Werd er duidelijk beleid uitgestippeld?
‘De Nederlandse overheid heeft de groei van het aantal vakantieparken gestimuleerd. Er waren vanaf de jaren zestig zelfs subsidiepotjes voor de aanleg van parken. Het idee was: er ontstaat blijkbaar een verlangen ‘naar buiten’, maar wij willen als overheid graag dat mensen in en om de stad en haar groeikernen blijven wonen. Dus dan is het een goed idee om vakantieparken te faciliteren als ‘uitvluchtmogelijkheid’ voor stedelingen. 
De overheid wilde ook graag dat de vakantiehuizen niet lukraak in het landschap zouden komen te staan – liever geclusterd op parken. Vandaar dat er in de jaren dertig al verordeningen volgden die de bouw van losse zomerhuisjes verboden maar de bouw van vakantieparken mogelijk maakten. 
Het wrange is dat een aantal vakantieparken dat nu aan het verpieteren is, ooit met overheidssubsidie is aangelegd. Door tot in de jaren negentig nog aanleg van nieuwe vakantieparken te stimuleren, zonder echt goed te kijken naar wat er al was, heeft de overheid zélf bijgedragen aan het probleem waar we nu mee in ons maag zitten. Parken die niet meer lopen, verloederen en voor problemen zorgen.’ 

Dat klinkt alsof de invloed van de Rijksoverheid behoorlijk groot is geweest op de ontwikkeling van vakantieparken. Klopt dat?
‘Absoluut! Dat is wat me echt is opgevallen in mijn onderzoek. Vanaf de jaren zestig hebben het ruimtelijk beleid – met het ‘wooncompensatie’-idee - en vanaf de jaren tachtig het toeristisch beleid – ofwel ‘Nederland vakantieland’ - het aanzicht van het Nederlandse vakantieparklandschap sterk bepaald. 
Mooi voorbeeld daarvan is de provincie Friesland. In de jaren tachtig zetten onder druk van de Rijksoverheid veel Nederlandse provincies in op grootschalige toeristische ontwikkeling. De ‘CenterParcs-isering’ deed z’n intrede en de combinatie van grootschalige parken met ‘vermaakmogelijkheden’ was uniek in de wereld. Vijfhonderd huisjes op een park, ‘hoe meer hoe beter’, was het idee, want er werd veel geld aan verdiend. Friesland voelde daar niet voor en wilde het liever bij kleinschalige recreatie houden. Maar de provincie werd daarop door de minister van Economische Zaken op de vingers getikt. Het ministerie zag het toerisme als een mondiale groeisector en de provincie moest mee in de vaart der volkeren. En dus ging ook Friesland overstag. Het resultaat was een flink aantal nieuwe parken met behoorlijk ruime vakantiehuizen, die weinig onderdeden voor ‘normale’ huizen.’

Dat klinkt best wrang als je bedenkt dat er nu steeds strenger gehandhaafd lijkt te worden op permanente bewoning. Eerst volop de bouw van vakantieparken stimuleren, vervolgens niet willen dat mensen er wonen.
‘Het ging vanaf de jaren tachtig langzaam ‘mis’. Aan de ene kant verrezen er steeds meer vakantieparken met grote koophuizen. De maximale afmetingen voor vakantiehuizen werden langzaam verruimd en steeds meer huizen voldeden aan de normale bouwverordening. Door ontwikkelaars werden ze aangeprezen met woorden als ‘365 dagen per jaar recreëren’. Zulke huizen nodigden uit tot permanente bewoning. Daarnaast ontstond er langzamerhand een overschot aan vakantieparken waarbij de wat oudere parken al snel het onderspit dolven. De Kampeerraad, destijds het adviesorgaan van de regering, waarschuwde al in 1987 dat de Nederlandse markt verzadigd was en dat groei alleen nog maar ten koste van elkaar kon plaatsvinden.’

  lees ook: Zoek de verschillen: is dit een recreatiewoning of niet? vrijdag 09 maart

Wanneer ontstond die discussie over permanent wonen op vakantieparken eigenlijk?
‘Begin jaren negentig hoorde je voor het eerst de constatering: eigenlijk zijn sommige nieuwe parken feitelijk gewoon woonomgevingen. Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu opperde eind jaren negentig zelfs heel even om het onderscheid tussen vakantiehuizen en normale huizen op te heffen. Maar dat leidde tot heel veel protest, onder meer omdat mensen dan lekker buiten wonen voor de fractie van de prijs van een normaal huis.
Dat permanente bewoning écht als een probleem wordt gezien, is pas van de laatste pakweg tien jaar en heeft weinig te maken met de nieuwe parken, maar des te meer met de enkele verouderde parken waar sociale problemen zich opstapelen. Nu dringt door: ‘we moeten hier snel wat mee’. Veel te laat, vind ik.’

Waarom vind je dat?
‘Pas de laatste jaren wordt er serieus nagedacht over wat we toch aan moeten met leegstaande en verloederde parken. Terwijl de Rijksoverheid er via toeristisch beleid heel lang aan heeft bijgedragen dat er maar bijgebouwd werd. Ook toen al lang duidelijk was dat groei alleen nog maar ten koste van elkaar kon plaatsvinden. De bouw van vakantieparken werd ooit toegestaan omdat we dan de rest van het landschap zouden kunnen sparen. Maar omdat er maar nieuwe parken gebouwd bleven worden terwijl andere verpieterden, bleef van dat ideaal heel weinig over. Nu moet er ineens worden ingegrepen op parken, omdat er sociale problemen zijn ontstaan. Terwijl er in mijn ogen al veel eerder, op basis van ruimtelijke ordening, paal en perk gesteld had moeten worden aan de bouw van vakantieparken.’

Pleit je dan voor een duidelijkere rol van de Rijksoverheid als het gaat om de toekomst van vakantieparken?
‘Jazeker, ik pleit voor een sterke Rijksoverheid die hier het voortouw in neemt, om vervolgens de uitwerking over te laten aan de lagere overheden. Ik denk dat het goed is dat de vakantieparken op mooie plekken, die geen toeristische toekomst meer hebben, worden teruggegeven aan de natuur. Een park met alleen maar arbeidsmigranten of senioren die er permanent wonen? Niks mis mee, als dat bij het park past. En sta je als overheid de bouw van nóg een nieuw park toe? Prima. Maar stort de winst daarvan dan in een fonds dat je gebruikt voor het opknappen of herbestemmen van verouderde parken. Ik kan me voorstellen dat dat wat extreem klinkt. Maar ik vind wel dat de Rijksoverheid hier een duidelijke morele verplichting heeft, gezien het eigen beleid van de afgelopen eeuw.’

Ik houd je op de hoogte!
Volgende week dinsdag in onze uitzending meer over wonen op vakantieparken. Wil je op de hoogte gehouden worden van de ontwikkelingen in ons onderzoek? Schrijf je dan in voor de tweewekelijkse nieuwsbrief.  

Lees meer over

Wonen en leefomgeving Woonproblemen
Verkenning Research Opnames Uitzending

Woonproblemen

Uitzending

Onze uitzending Wel werk, geen woning is maandagavond 11 mei om 22:15u op NPO2.

Deel jouw ervaring 143 andere artikelen in onderzoek
Uitzending is geweest op maandag 11 mei 2020 om 22:15  NPO2

1414 tips

ontvangen

Ervaringsdeskundigen

gezocht

Dit artikel is geschreven door:

Stephanie Sint Nicolaas Redacteur

Stephanie Sint Nicolaas voltooide na een bachelorstudie geschiedenis een master Journalistiek en Nieuwe Media. Ze werkte voor zowel radio (Radio 1) als voor verschillende journalistieke televisieprogramma's (Knevel en van den Brink, Rondom 10, Debat op 2, Altijd Wat). In haar vrije tijd fotografeert ze graag en net als in haar redactiewerk is het doel om bijzondere verhalen van mensen in beeld te brengen. Voor De Monitor deed ze research, en filmt en monteert ze nu video's voor social media.

Lees verder
@stephsint

Deel dit artikel

Meer artikelen in dit onderzoek

Toon meer

Meer weten?

Leidt de hoge woningnood tot dakloosheid?
Alles over dit onderzoek