Beroepsvereniging Spoedeisende Hulp Artsen: Derde van ziekenhuizen kampt met opnamestops

maandag 27 juni 2016 Leestijd: 3 min.

foto: Dreamstime /

Niels van Nimwegen

Verslaggever

niels.vannimwegen@kro-ncrv.nl

maandag 27 juni 2016 Leestijd: 3 min.

De eerste vraag die we in ons nieuwe dossier Spoedzorg stelden was: hoe verhoudt het beeld dat Amsterdamse ziekenhuizen schetsen zich tot andere regio’s in Nederland? Kampen ook daar afdelingen met opnamestops om de stroom aan patiënten onder controle te houden. Ja, zegt de beroepsvereniging van spoedeisende hulp artsen. De NVSHA maakte dit weekend de resultaten van een landelijke enquête onder 22 ziekenhuizen bekend. Uit die steekproef blijkt dat een overgrote meerderheid van de ziekenhuizen de sterk toegenomen drukte op spoedeisende hulp-afdelingen (SEH) herkent. Ongeveer een derde van de ondervraagde ziekenhuizen moet wekelijks of zelfs vaker de SEH-afdeling sluiten om de patiëntenstroom onder controle te krijgen. We stellen vijf vragen aan de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen, SEH-arts Crispijn van den Brand.

De vraag na de brandbrief die Noord-Hollandse artsen afgelopen mei verzonden was: hoe staat het in de rest van het land? Is die vraag wat u betreft nu beantwoord?

Absoluut, en dat niet alleen: ik denk dat de resultaten die we nu hebben absoluut reden tot zorg geven. Het beeld wat vanuit Amsterdam en omgeving werd geschetst over de hoeveelheid patiëntenstops vond ik zelf al schokkend, maar op basis van de steekproef die wij hebben gedaan zie je dat dit ook echt een landelijk probleem is. De helft van de onderzochte ziekenhuizen heeft met opnamestops te maken, hierbij is belangrijk om op te merken dat patienten met een levensbedreigende aandoening uiteraard altijd behandeld moeten kunnen worden. Een derde is zelfs eens per week of vaker genoodzaakt de deuren van de spoedeisende hulp te sluiten Op zichzelf is dat geen nieuws, we wisten op basis van onderzoek al langer dat ‘crowding’ van spoedeisende hulp-afdelingen een probleem is, maar dat het zo wijdverbreid is was ook voor mijzelf toch wel een verrassing. Overigens zijn die stops slechts één uiting. Er zijn bijvoorbeeld ook ziekenhuizen die geen stops kennen, maar die wel met dit probleem kampen.

Omdat ze vanwege hun functie in de regio ook niet dicht kunnen?

Precies, sommige ziekenhuizen zijn zo belangrijk voor een regio dat ze niet de mogelijkheid hebben om hun deuren te kunnen sluiten. Wordt het dan ineens toch wel heel erg druk, dan zal het personeel die drukte toch moeten opvangen. Dat betekent dat je dus ook naar andere indicatoren moet kijken: worden er regelmatig patiënten op de gang behandeld bijvoorbeeld? Maar ook, worden de richtlijnen voor de tijdigheid van behandelingen wel gehaald? Iemand die binnen komt moet binnen een bepaalde tijd worden gezien om te bepalen hoe urgent de situatie is. Op basis van die urgentiecategorie moet weer binnen een bepaalde tijd een arts naar iemand gekeken hebben. In praktijk zie je dat dit soort normen geregeld niet worden gehaald. Dat zijn allemaal indicatoren dat een afdeling sterk onder druk staat, zonder dat die problemen middels een patiëntenstop aan de oppervlakte komen.

Er wordt door uw collega’s in Amsterdam en omstreken vooral gewezen op een toename van oudere, ziekere patiënten, die bovendien vaak langer blijven liggen als de voornaamste oorzaak voor het kopje onder gaan van SEH-afdelingen. Deelt u die analyse?

In algemene zin zie je dat ziekenhuizen te maken krijgen met complexere patiënten, die dus langer in het ziekenhuis blijven liggen. Er zijn te weinig bedden en verpleegkundigen om die patiënten aan te kunnen en ook buiten het ziekenhuis zien we dat er in verpleeghuizen te weinig capaciteit is om mensen die ontslagen worden uit het ziekenhuis op te kunnen vangen. Daardoor stokt je doorstroom en krijg je wat Britten ook wel een ‘exit-block’ noemen. Patiënten die vanuit de spoedeisende hulp niet kunnen doorstromen naar een verpleegafdeling. Dat probleem is hier nog niet zo groot als in Groot-Brittannië , maar het is wel zaak dat we nu iets doen om te voorkomen dat het zich verder ontwikkelt.

Wat zou er dan moeten gebeuren?

We gaan daar de komende tijd in overleg met onder andere het ministerie en de verzekeraars nader naar kijken. Ook als artsen gaan we meer handvatten geven om crowding aan te pakken. Voor een deel doen ziekenhuizen hier al wat aan, door bijvoorbeeld de huisartsenpost en de spoedeisende hulp samen te voegen. Dat helpt een beetje, maar niet voldoende. Zo’n huisartsenpost haalt de laagcomplexe zorg weg - bijvoorbeeld patiënten met verstuikte enkels of wonden – maar je houdt nog steeds die stroom complexe patiënten. Het belangrijkste vraagstuk voor die groep is eigenlijk de doorstroom. Als ziekenhuis wil je in het kader van de efficiëntie altijd je volledige capaciteit bezet hebben, maar dat betekent dat je in geval van drukte eigenlijk geen speelruimte meer hebt om pieken op te vangen. Idealiter zou je op zo’n 85% bezetting moeten zitten, zodat je in geval van drukte meer ruimte hebt om de doorstroom op gang te houden. Maar dat heeft dus ook gevolgen voor andere schakels in de zorgketen.

Wat verwacht u dan van de minister?

Zij zou de regie naar zich toe kunnen trekken om ervoor te zorgen dat alle betrokken partijen afspraken maken en zich daar ook aan houden. Daarnaast blijft natuurlijk het probleem van beddencapaciteit in de zorg buiten het ziekenhuis een punt van aandacht. Ouderen die zo’n ziekenhuis uit komen, zullen toch ergens heen moeten. Ik denk dat de minister daar een belangrijke schakel in is, om ervoor te zorgen dat ook meer tussenvormen van zorg beschikbaar komen.

Lees meer over

Gezondheid en zorg Spoedzorg
Verkenning Research Opnames Uitzending

221 tips

ontvangen

Ervaringsdeskundigen

gezocht

Dit artikel is geschreven door:

Niels van Nimwegen

Deel dit artikel

Meer artikelen in dit onderzoek

Toon meer

Meer weten?

Het zijn bizarre tijden voor ons zorgpersoneel. We willen graag weten hoe het nu gaat met de mensen die de boel draaiende houden tijdens de strijd tegen het coronavirus.
Alles over dit onderzoek